KERKHERVORMING IN (ZEEUWS-)VLAANDEREN

De Zeventien Provinciën is een term waarmee de Habsburgse Nederlanden van 1543 tot 1585 worden aangeduid.
Nadat keizer Karel V in 1543 het hertogdom Gelre had ingelijfd was een min of meer aaneengesloten en afgerond geheel van landsheerlijkheden ontstaan. Alleen in het zuidelijke deel vormde het prinsbisdom Luik nog een grote enclave. Het geheel van Nederlandse gewesten werd sindsdien ook wel aangeduid als de Zeventien Provinciën.

Midden 16e eeuw breidde de Hervormde godsdienst zich vanuit Amsterdam uit over de Nederlanden. In 1577 waren Vlaanderen en het latere Zeeuws-Vlaanderen op Spanje veroverd en kon de Hervorming zich naar dit gebied uitbreiden.

Artikel ‘De kerkhervorming in Vlaanderen’ van H.Q. Janssen uit 1866:


“ Nauwelijks was de Hervormde kerk ontkomen aan de vervolging, waaraan zij vele jaren ten prooi was geweest; nauwelijks begon zij 't hoofd vrij en vrolijk op te heffen; nauwelijks verkreeg zij overwicht in Vlaanderen, of zij maakte zich, helaas schuldig aan dezelfde onverdraagzaamheid, waarvan zij zo lange tijd de smartvolle, ondragelijke last getorst had. 't Was of zij vergeten was, hoe zwaar het valt verdrukt te worden en hoe zij aanvankelijk niet méér gevraagd, niet méér verlangd had dan een plaats, een bescheidene plaats naast het Rooms-Katholicisme. Wel ontstak zij geen brandstapels, wel richtte zij geen galgen en schavotten op, wel opende zij geen gevangenissen voor andersdenkenden; maar zij verjoeg ze, zij duldde ze niet in hare tegenwoordigheid: 't was haar te doen om van de alleenheerschappij meester te worden.

Om dit te begrijpen moeten wij ons weliswaar verplaatsen in de tijden van hartstocht, die de gemoederen opwond, en ons voorstellen, dat de Hervormden, vervuld met heiligen afschuw voor wat zij noemden de afgoderij en het bijgeloof van 't Pausdom, geloofden te moeten ijveren voor hetgeen zij beschouwden als de enige, zuivere waarheid, uit Gods woord geput; ook moeten wij vooral onder ’t oog houden, dat de roomsgezinder doorgaans met Spanje (Rooms-Katholiek) heulden en Oranje (Hervormd) tegenwerkten, waarom hun verwijdering veelal een voorwaarde was voor het bestaan der Hervormden; doch wij, van óns standpunt, kunnen niet anders dan een onverdraagzaam-heid veroordelen, die zich openbaart in liefdeloosheid en vervolgzucht.
't Is ook van elders bekend, welk een vijandige houding de Hervormde kerk aannam tegen die met haar in gevoelen verschilden en wat pogingen zij aanwendde om hen te onderdrukken. Ook de bescheiden, die ons ten dienste staan, leveren ons er menig blijk van op. Wij willen daarop acht geven.
Reeds op de classis van Gent, gehouden op 3 november 1578, brachten die van Gent de vraag ter tafel, hoe men best de Roomse godsdienst overal op de omliggende dorpen zou kunnen verhinderen. Er werd op geantwoord, dat men uit naam der klasse de notabelen der stad verzoeken zou om met open brieven aan alle priesters de oefening der Roomse godsdienst te verbieden, en dat voorts alle predikanten zorg zouden dragen voor de dienst op hun naburige plaatsen en dorpen en liever maar ééns zouden prediken op één plaats ten einde de prediking ook op de andere plaats greep. Evenzo was 't onder het Vrije van Brugge.

"Omdat het geschiedt", zo luiden de acten der Oostburgse klasse van 12 september 1581, "tot groot nadeel van Christus' kerk, dat men zo lang de priesters in hun dienst laat voortgaan, zo is het raadzaam bevonden, dat men zich, namens de classis, bij verzoekschrift tot de commissarissen wenden zal, opdat zij aan de vier leden des lands verzoeken, dat de priesterdienst geheel verboden worde." Op diezelfde vergadering werd nog besloten, tot hetzelfde einde ook aan de vier leden van Vlaanderen een verzoekschrift te richten en daarenboven ook de invloed der Brugse consistorie hierbij in te roepen.

Nog krachtiger besluit nam de classis van Brugge van 13 februari 1582. Wij lezen: "Om de dienst der priesters in zijn geheel uit te roeien is raadzaam bevonden, dewijl er generlei bijstand van de overheid geschiedt, dat men aan alle klassikale vergaderingen schrijven zal, dat ze met ons zich daartoe aan Zijne Excellentie vervoegen, opdat het worde als in Holland en Zeeland." In dezelfde geest bepaalde men ook, op de volgende vergadering, zich tot de heren van het Vrije te zullen wenden, en bijzonder hard en scherp luidt de taal, die wij daar horen (classis Ramskapelle, 31 juli 1582, art. 7). De 12e oktober 1582 zou de Sluise predikant Gilles van den Houte zich met de burgemeester van Breskens naar Brugge begeven om aan de heren van het Vrije een request te presenteren teneinde te verkrijgen “uitroeiing van de priesters" ten plattenlande (classis Breskens, 2 oktober 1582, art. 14).

't Schijnt echter, dat al deze stappen onvoldoende waren om tot het doel te leiden. Nog sterkere maatregelen waren nodig. Men besloot de 18e december daarna, op de classis te Sluis, op algemene kosten der gemeenten een procureur aan te stellen, om bij die van 't Vrije aan te houden ter uitroeiing der priesters ten plattenlande; de burgemeester van Breskens Joos Clays zou met Cornelis Heine, voorzien van een credentiebrief der classis, die procureur bezoeken. De 12e april 1583 beraamde nogmaals de klasse, te Sluis vergaderd, aan de heren van 't Vrije een verzoekschrift tot wering der priesters in te dienen. De Roomse godsdienst schijnt dus nooit geheel in Vlaanderen te hebben opgehouden. Altijd waren er nog hier of daar priesters, die haar in 't geheim bleven oefenen, 't Zal ook wel aan de overheid zijn toe te schrijven geweest, die misschien hier minder krachtig medewerkte dan in Holland en Zeeland, schoon ook daar het Katholicisme niet geheel heeft kunnen verdelgd worden.

Doch niet alleen tegen de Roomsen ijverde de Hervormde kerk, zij streed ook niet minder tegen de Doopsgezinden, ook wel genoemd de Wederdopers. Men stelde zich toen grote gevolgen voor van de openbare twistgesprekken met andersdenkenden, gelijk er met de Roomsgezinder en Dopers vele, ofschoon doorgaans met weinig vrucht, gehouden zijn.
Toen er dus op de Gentse synode van 8 maart 1581 gevraagd werd, hoe de Dopers en "dergelijke ketters" mochten geweerd worden, werd geantwoord, dat de dienaar niet beter doen kon dan door de Dordtse synode was voorgeschreven, en zo dit niet helpen mocht, dat dan de overheid aangaande haar ambt en plicht zou vermaand worden, met het voorstel om een openbare disputatie te houden, gelijk te Frankenthal en Emden geschied was. Zodanige disputatie werd echter schoorvoetend door de overheid toegestaan. Vandaar dat de Brugse synode van 8 mei 1582 op de vraag, of een openbaar dispuut tegen de Wederdopers bevorderd zou worden, besloot, dewijl men vooralsnog zulks niet bekwamelijk zou mogen bekomen, het uit te stellen tot geschikter gelegenheid.

De vraag hoe men de Wederdopers weren zou, was op de classis van Westkapelle van 9 mei 1581 reeds beantwoord met een besluit tot raadpleging der naaste synode. Overigens vernamen wij boven, dat vooral te Groede, oud-Nieuwvliet en te Sluis de Doopsgezinden zich gevestigd hadden en ijverig werkten.
Van het bestaan der Luthersen in Vlaanderen is ons, behalve te Gent en te Hondschoote en, buiten Vlaanderen, te Antwerpen, te Bernhem en te Brussel, slechts een enkel blijk voorgekomen. 't Was te Lissewege en omstreken dat zij in 1581 hun vergaderingen begonnen te houden. Men besloot daarop, dat de leraren pogingen zouden aanwenden om met hen in aanraking te komen en, zo er op deze wijze niet in voorzien kon worden, dat men naar andere middelen tot wering van hen zou uitzien.”

Hervormden te Cadzand
Bij de scheiding der Brugse classis in die van Brugge en die van Sluis op de klassikale vergadering te Oostburg van 12 sept 1581 werd Cadzand onder de classis van Sluis gerangschikt.
De frequente plunderingen van de geuzen op Cadzand uit naam van de protestante godsdienst gaven de inwoners absoluut geen reden om tot het protestantse geloof over te gaan.
Eerst op 2 okt 1582 op de classis te Breskens verschijnt een nauwelijks georganiseerde groep protestanten uit Cadzand voor de vergadering met het verzoek om een leraar, waarop hun geantwoord werd, dat zij op de volgende vrijdag zich naar Sluis begeven zouden, alwaar, zo mogelijk aan hun verlangen zou voldaan worden.
Intussen werd besloten dat de omliggende predikanten om beurten de dienst te Cadzand zouden waarnemen; eerst Jan van Diest, voorts Daniël Wante, Thomas Bruscenus, Johannes Maijus, Gilles vanden Houte en Jacobus Noortman. Slechte weersomstandigheden verhinderden dikwijls de oversteek naar Cadzand, waardoor van een geregelde dienst geen sprake kon zijn.

Ter volgende bijeenkomst te Sluis, 18 december 1582 werden nog eens de beurten geregeld voor elf omliggende predikanten, mits dat die van Cadzand alle pogingen zouden in het werk stellen om een eigen leraar te erlangen, zullende anders de predikanten niet meer herwaarts gaan. In de laatste handelingen, die ons gekomen zijn, die der classis van Middelburg in Vlaanderen te Sluis gehouden op 12 april 1583 lezen we dat die van Cadzand weder voor de vergadering verschenen, begerende van een leraar voorzien te worden, waarop men besloot te beroepen de predikant van Blankenberge, denkelijk Cornelis Reyniers/Rengerus, zullende Gilles vanden Houte, predikant te Sluis, den beroepsbrief schrijven. Of dit geschiedt is en of Reyniers nog te Cadzand is predikant geweest, is ons onbekend gebleven. Uit voornoemde klas blijkt wel dat Joos van den Rosiere, voordien predikant te Schoondijke, te Catsand predikte.
Op dezelfde bijeenkomst werd besloten, dat Johannes IJserman, die te St. Kruis predikant geweest was, maar zijn standplaats onordelijk had verlaten, ook voor die van Cadzand, waarmede hij onbehoorlijk gehandeld had, misschien wel in zeker gesprek getreden was nopens de vervulling der predikdienst, zou schuld belijden.

De laatste der klassen, in dit gedeelte van Vlaanderen gehouden, vergaderde op 6 september 1583 te Cadzand. De handelingen dier bijeenkomst zijn echter verloren gegaan.

Toen de Hertog van Parma in 1583 en 1584 Vlaanderen grotendeels weer innam, weken de meeste Vlaamse predikanten uit  naar Zeeland en Holland. Joh. IJserman, de beoogde predikant voor Cadzand, begaf zich toen naar Gouda. Gillis vanden Haute werd te 's-Gravenpolder beroepen. Het Eiland van Catsandt kwam weer onder bewind van Spanje. Alle door de Verenigde Nederlanden afgekondigde maatregelen werden teruggedraaid.

Toen de Nederlandse Gewesten in 1604 Cadzand inlijfden en zeggenschap over het eiland kregen, kon vanaf dan het openbaar belijden van de katholieke godsdienst verboden worden. Ook werden katholieken uitgesloten van werk bij de overheid en protestantse werkgevers. Armenzorg was alleen voor protestanten. De kerk werd de protestanten ter beschikking gesteld. Het bijna geheel verlaten eiland werd opnieuw bevolkt met protestanten uit Vlaanderen, Wallonië en Frankrijk.
In 1954, 350 jaar later is voor het eerst weer een openbare eucharistieviering gehouden op Cadzand. Dit gebeurde in een schuur in de Tienhonderdpolder.

Bron:
De kerkhervorming in Vlaanderen, H.Q. Janssen, 1866.
Coornaert, Maurits; Knokke en het Zwin; 1974; p296
Bauwens, A. en Bauwhede, D. van der; Acta van de kerkeraad te Sluis, 1578-1587; 1986; p38, p78